Blog

Mijn eerste klassieke partituur
26-05-2026 - Sommige muzikale verlangens blijven aanwezig, ook als je jarenlang andere wegen bewandelt. Voor Rineke de Wit is klassieke muziek zo’n blijvende onderstroom: gevormd in haar jeugd, gevoed door zang, hobo en muziektheorie, en verbonden met een talent dat zich niet laat wegdrukken. In deze blog schrijft ze over terugkeren naar haar basis - niet als stap terug, maar als erkenning van wat er altijd al was.

Mijn eerste klassieke partituur: Een talent dat je niet kunt ontkennen

Sommige verlangens blijven.

Ze kunnen even naar de achtergrond verdwijnen. Je kunt andere wegen inslaan, nieuwe stijlen ontdekken, optreden op plekken waar je niet had verwacht te staan, samenwerken met allerlei mensen en jezelf blijven ontwikkelen. Maar ergens onder alles blijft er iets aanwezig. Bij mij is dat de klassieke muziek.

Niet als iets stijfs of afstandelijks. Niet als een wereld waar je eerst toestemming voor moet krijgen voordat je binnen mag komen. Maar als een taal die ik al heel lang versta.

Mijn jeugd was vol muziek. Mijn moeder zong met ons. Meerstemmig, vanzelfsprekend, vaak gewoon thuis. Niet als groot plan, maar als onderdeel van het leven. Daar is iets begonnen. Het luisteren naar elkaar. Het voelen hoe stemmen in elkaar kunnen grijpen. Het besef dat één melodie mooi kan zijn, maar dat samenklank iets opent wat groter is dan jezelf.

Ik begon op blokfluit. Later ontdekte ik de piano. Op mijn dertiende begon ik mezelf akkoorden aan te leren, te zoeken, te proberen, te improviseren. Niet alles ging via de nette route. Veel ging via nieuwsgierigheid. Via horen, nadoen, falen, opnieuw proberen. Daarna kwamen de hobo en later ook de saxofoon. Elk instrument gaf me een andere ingang tot muziek. De piano gaf overzicht. De hobo gaf adem en melancholie. De sax gaf warmte en beweging. Maar mijn stem bleef altijd de meest directe lijn naar binnen.

Klassieke muziek heeft mij gevormd. In zangtechniek, in frasering, in adem, in tekstbeleving, in luisteren naar vorm en spanning. Ik hou van die precisie. Van de concentratie die nodig is om één frase echt goed te laten landen. Van het verschil tussen mooi zingen en iets zó zingen dat het betekenis krijgt.

Er is een soort eerlijkheid in klassiek repertoire. Je kunt je er niet makkelijk achter verschuilen. Een lijn moet gedragen worden. Een klinker moet kloppen. Een ademhaling vertelt iets. Een stilte ook. Misschien is dat waarom ik er steeds naar terugkeer. Klassieke muziek vraagt mij om niet alleen te voelen, maar ook te bouwen. Niet alleen expressie, maar ook vorm. Niet alleen intuïtie, maar ook discipline.

Tegelijk ben ik nooit iemand geweest die maar in één hokje past. Ik heb altijd breder gekeken, breder geluisterd en breder gewerkt. Ik hou ook van crossover, van liedjes, van persoonlijke teksten, van muziek die dichter op de huid zit. Ik kan geraakt worden door een eenvoudige melodie, een goed geschreven popsong of een stem die zonder opsmuk precies de juiste snaar raakt.

Maar hoe breed mijn muzikale leven ook is geworden: de klassieke basis blijft. Die zit in mijn stem, in mijn gehoor, in mijn manier van instuderen, in hoe ik een programma opbouw en in hoe ik muziek serieus neem.

Soms denk ik dat je een talent een tijd kunt parkeren. Je kunt het kleiner maken, praktischer inzetten, aanpassen aan wat gevraagd wordt. Je kunt denken: dit is nu even niet handig, niet commercieel genoeg, niet de juiste markt, niet de makkelijkste weg. Maar als iets echt bij je hoort, blijft het terugkomen.

Een talent dat je gegeven is, kun je uiteindelijk niet ontkennen.

Niet omdat het altijd vanzelf gaat. Juist niet. Talent vraagt onderhoud. Keuzes. Training. Moed. Soms ook herpositionering. Het vraagt dat je eerlijk kijkt naar wat je kunt, waar je vandaan komt en waar je niet langer omheen moet draaien.

Voor mij betekent dat: mijn klassieke kant weer duidelijker zichtbaar maken. Niet als afscheid van de rest, maar als erkenning van de basis. Klassiek is geen los hoofdstuk in mijn muzikale leven. Het is de ondergrond. De bron waar veel uit voortkomt.

Daarom krijgt klassieke muziek opnieuw een duidelijke plek in mijn werk. In concertprogramma’s, in de combinatie van sopraan en hobo, in kamermuziek, in verstilde momenten, in repertoire dat ruimte vraagt en ruimte geeft.

Ik wil muziek maken die verfijnd is, maar niet afstandelijk. Vakmatig sterk, maar niet gesloten. Toegankelijk, maar niet vlak. Muziek die mensen meeneemt zonder dat ze eerst alles hoeven te begrijpen.

Misschien is dat wel wat ik van huis uit heb meegekregen: muziek is er om te delen. Om samen te klinken. Om iets te zeggen waar gewone woorden soms te klein voor zijn.

En dat verlangen is er nog steeds. Altijd aanwezig. Soms zacht op de achtergrond, soms ineens heel duidelijk.

De klassieke muziek roept mij terug.
Niet terug naar vroeger, maar terug naar mijn basis.
Naar wat ik niet hoef te verzinnen.
Naar wat er al die tijd al was.